‘Centrale Bank moet zelf ook onder de loep in Enniaschandaal’

· - leestijd 3 minuten
Afbeelding
Foto: Dick Drayer

WILLEMSTAD - Terwijl de roep om strafrechtelijke vervolging in de Enniazaak aanzwelt, stelt oud-politicus en-bestuurder Mike Willem een ongemakkelijke, maar fundamentele vraag: wie houdt toezicht op de toezichthouder zelf? In een scherpe opiniebijdrage betoogt hij dat de focus op individuele schuld dreigt af te leiden van een dieper liggend probleem in het financiële toezicht, met mogelijk verstrekkende gevolgen voor vertrouwen in de rechtsstaat en het systeem als geheel.


Door | Mike Willem

De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten heeft de beslissing genomen om in de Ennia‑zaak de stap te zetten naar strafrechtelijke vervolging. Wie willens en wetens een pensioen‑ en verzekeringsinstelling leegtrekt, moet zich voor de strafrechter verantwoorden. Maar wie denkt dat de kous daarmee af is, mist de essentie van het governance‑probleem waar Ennia slechts de meest zichtbare uiting van is. In een rechtsstaat geldt de rule of law voor iedereen – óók voor de Centrale Bank.

Want de waarheid is ongemakkelijk: Ennia kon alleen zo groot ontsporen omdat het toezicht jarenlang tekortgeschoten is. Dat toezicht had een naam en een adres: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS). Het gaat daarom niet alleen om de strafbare daden van de voormalige eigenaar en bestuurders, maar óók om de bestuurlijke nalatigheid van de instantie die juist moest voorkomen dat tienduizenden polishouders en pensioengerechtigden in de gevarenzone terechtkwamen, en waarvoor de belastingbetaler nu voor op moet draaien.

Strafrecht is nodig, maar niet genoeg

De focus in het publieke debat ligt nu op de vraag of er wel of niet wordt vervolgd. Dat is begrijpelijk – het raakt aan rechtvaardigheid, aan het gevoel dat ‘de groten’ te vaak wegkomen.

Maar het strafrecht kijkt naar individuele schuld en bewijsbare strafbare feiten. Het geeft geen antwoord op de bredere vragen: hoe kon het dat signalen over solvabiliteit, riskante beleggingen en belangenverstrengeling jarenlang niet tot effectieve ingrepen leidden? Welke keuzes zijn binnen de CBCS gemaakt – of juist níet gemaakt – toen duidelijk werd dat Ennia een systeemrisico vormde?

Welke rol speelden de regeringen van Curaçao en Sint Maarten als aandeelhouder van de CBCS? En hoe functioneerden de organen zoals het bestuur en de RvC (incl audit cie) ? Wisten organen van het Koninkrijk dat de situatie bij Ennia al jaren broos was?

Zonder antwoord op die vragen blijft het beeld hangen dat we ‘de boef pakken’ maar de poortwachter buiten schot laten. Dat is funest voor vertrouwen in het stelsel.

Waarom een interne evaluatie niet volstaat

Er wordt gesuggereerd dat de CBCS zelf lessen trekt en intern onderzoekt wat beter kan. Dat klinkt sympathiek, maar is precies wat níet (alleen) moet gebeuren. Een organisatie die zichzelf jarenlang onvoldoende corrigeerde, kan niet geloofwaardig haar eigen nalatigheid onderzoeken, achter gesloten deuren, met rapporten waarvan het publiek misschien nooit de volledige inhoud ziet.

Bij Ennia gaat het niet om een boekhoudkundige vergissing, maar om een systeemcrisis in toezicht, governance en politieke verantwoordelijkheid. Dat vraagt om een onafhankelijke, openbare doorlichting, vergelijkbaar met wat in het verleden bij Aqualectra is gebeurd.

Daar was het evident dat publiek eigendom en publieke schade een grond vormden voor een diepgravend, openbaar onderzoek. In de Ennia‑zaak is die publieke dimensie vele malen groter: hier staan niet alleen tarieven, maar levenslange pensioenen, belastinggeld en vertrouwen in het financiële stelsel op het spel.

Alle organen in de governance‑keten onder de loep

Een serieuze evaluatie moet daarom niet stoppen bij “de CBCS heeft het lastig gehad”. We hebben een helder beeld nodig van de rol van álle organen in de governance‑keten:

Binnen de CBCS: hoe zijn signalen beoordeeld, welke interventies zijn overwogen en waarom is zo laat naar het zwaarste middel – de noodregeling – gegrepen?

Bij de regeringen en parlementen van Curaçao en Sint Maarten: welke informatie hadden zij, hoe hebben zij hun rol als aandeelhouder en wetgever ingevuld, en waar hebben zij weggekeken?

Op Koninkrijksniveau: hoe is omgegaan met herhaalde waarschuwingen over de kwetsbaarheid van het toezicht en de financiële stabiliteit in de Caribische delen van het Koninkrijk?

Pas als deze vragen publiek en feitelijk beantwoord zijn, kunnen burgers en polishouders beoordelen of de instituties die ‘boven hen’ staan hun verantwoordelijkheid waarmaken.

Tijd voor een Ennia‑rapport over de CBCS

Als we de Ennia‑crisis willen benutten om het systeem te verbeteren in plaats van alleen een paar daders te straffen, is één stap onvermijdelijk: een onafhankelijk, openbaar onderzoek naar het functioneren van de CBCS en de bredere governance‑keten rondom Ennia. Niet om de Bank kapot te maken, maar om haar als publieke instelling volwassen en corrigeerbaar te maken.

Strafrechtelijke vervolging is noodzakelijk, maar niet voldoende. In een rechtsstaat geldt de rule of law voor iedereen, óók voor de Centrale Bank: volledige helderheid over wat er binnen de CBCS is misgegaan en welke organen daarin een rol hebben gespeeld, is minstens zo belangrijk als de strafrechtelijke vervolging van degenen die Ennia hebben leeggebloed. Juist het consequent toepassen van de rule of law op álle machtsdragers is essentieel om het vertrouwen in onze democratische rechtsstaat te behouden en te versterken.

——


Mike Willem is econoom en bestuurder, met een achtergrond als oud-minister van de Nederlandse Antillen en voormalig gedeputeerde van Curaçao. Hij beschikt over ruime ervaring in governance, financieel toezicht en publieke sectorvraagstukken.


1.494 keer gelezen

Deel dit artikel: