Nieuws Curaçao

Reflecties op Rechtsstaat, Democratie en Mensenrechten Curaçao

WILLEMSTAD – De nationale dag van de democratie is in het leven geroepen door de Verenigde Naties. Op deze dag wordt stilgestaan bij de toestand van de democratie in de wereld. Dat deed ook prof. dr. Arjen van Rijn tijdens een lezing- en debatavond in het Maritiem Museum.

door Arjen van Rijn op de Dag van de Democratie

Pre-zomer 2024Pre-zomer 2024

Mij is gevraagd te reflecteren op het thema ‘Democratie, Rechtsstaat en Mensenrechten’. Dat is niet zomaar een thema. Het gaat om een filosofisch concept dat uit een strijd van duizend jaren geboren is, om de kernwaarden van een menswaardige samenleving. Het gaat om ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’, het zusterschap inbegrepen.

Het is toe te juichen dat Human Rights Defence dit thema vandaag in al zijn breedte op de agenda zet. Tussen Democratie, Rechtsstaat en Mensenrechten bestaat een onlosmakelijke band en samenhang, het zijn communicerende vaten. Je kunt het niet over mensenrechten hebben zonder het ook te hebben over democratie en rechtsstaat. Democratie, Rechtsstaat en Mensenrechten vormen een drie-eenheid.

Het is de bedoeling dat ik u vanmiddag iets over de samenhang tussen Democratie, Rechtsstaat en Mensenrechten vertel. Dat doe ik graag, en ik doe dat vanuit historisch perspectief, met een blik op heden en toekomst.

Rechtsstaat

We kennen allemaal het containerbegrip ‘democratische rechtsstaat’. Curaçao is een democratische rechtsstaat, zeggen we graag en met een zekere trots. Terechte trots, laat ik dat vooropstellen. Want inderdaad, Curaçao is een democratische rechtsstaat. Met de nodige tekortkomingen in de uitvoering, dat wel, maar dat heb je overal. Curaçao is daarop geen uitzondering.

Tijdens de HJ Schoo-lezing afgelopen maandag zei de Nederlandse minister van Justitie, Yesilgöz: ‘Onze democratische rechtsstaat staat onder druk. En ik vind dat we er op dit moment maar matig in slagen om hem met elkaar te verdedigen.’

Kennelijk zijn er ook daar wel eens problemen. Begin vorig jaar wilde de zittende president van de belangrijkste democratie van de wereld een volgens alle regels tot stand gekomen verkiezingsuitslag niet accepteren. Het was een aanval op de democratische rechtsstaat vanuit de instituties. Het liep goed af maar de schade is enorm. Staat de democratische rechtsstaat inderdaad onder druk?

Elementen

Laten we eerst eens kijken wat achter dit containerbegrip schuilgaat.

De democratische rechtsstaat is een van oorsprong westers concept, dat draait om de normering en regulering van overheidsmacht. Als beginpunt geldt de Magna Charta van 1215. Een conflict over geld tussen de Engelse koning en zijn edelen werd het begin van een nieuwe verhouding tussen heersers en onderdanen, die uiteindelijk haar beslag zou krijgen in het concept van de democratische rechtsstaat.

Maar eerst moesten er vele eeuwen verstrijken en vele revoluties en opstanden plaatsvinden. Richtinggevend waren de Amerikaanse onafhankelijkheid in 1776 en de Franse Revolutie in 1789. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring opende met de plechtige woorden ‘that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights’.

De Franse Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger verkondigde dat alle mensen vrij en met gelijke rechten worden geboren, dat de oorsprong van iedere soevereiniteit bij het volk ligt en dat alle burgers het recht hebben, persoonlijk of door hun vertegenwoordigers, aan de totstandkoming van de wet als uitdrukking van de algemene wil mee te werken. Dat zijn krachtige statements, die tot uitdrukking brengen hoezeer menselijke vrijheid en gelijkheid en de deelname aan het politieke proces en de besluitvorming met elkaar samenhangen.

Basiskenmerken

De democratische rechtsstaat berust op vier basiskenmerken: de trias politica, grondrechten, democratie en de heerschappij van de wet.

De trias politica houdt in dat spreiding van de overheidsfuncties wetgeving, bestuur en rechtspraak over verschillende instanties nodig is teneinde machtsmisbruik tegen te gaan. Degene die de wetten uitvoert moet een ander zijn dan degene die de wetten maakt, en er moet een onafhankelijke rechter zijn die vervolgens kan controleren of de wetten correct worden uitgevoerd.

In werkelijkheid zijn er allerlei dwarsverbanden tussen de drie. De regering maakt ook regels. Rechters worden door de regering benoemd. Maar waar waar het om gaat is dat de macht is gespreid en dat door die spreiding checks and balances ontstaan.

Essentieel is in de tweede plaats dat de fundamentele individuele rechten en vrijheden van de mens worden erkend, omdat alleen zo persoonlijke ontplooiing, sociaal welzijn en reële deelname aan het politieke proces mogelijk is. Grondrechten zijn grondrechten omdat ze inherent zijn aan de menselijke waardigheid die ieder mens bezit en op het respecteren waarvan ieder mens aanspraak kan maken.

Het ontkennen van de grondrechten is het ontkennen van de menselijke waardigheid. De universaliteit van de grondrechten berust op de diepgewortelde overtuiging dat alle mensen van dezelfde stof gemaakt zijn.

Er zijn verschillende categorieën grondrechten, die elk een verschillende opstelling van de overheid vergen.

Overheidsbemoeienis

Soms is het de taak van de overheid om zich van bemoeienis te onthouden; dan hebben we het over klassieke grondrechten zoals de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting heeft een bijzondere betekenis omdat dit grondrecht het democratische debat mogelijk maakt. Het wordt dan ook in bijzondere mate beschermd, met wat je zegt maak je het niet snel te bont, zeker niet in de politieke arena.

Soms moet de overheid juist in actie komen; dan hebben we het over sociale grondrechten zoals het recht op onderwijs en op acceptabele huisvesting.

Er zijn ook collectieve grondrechten, die niet aan één persoon maar aan een groep als geheel toekomen. zoals het recht om vakbonden op te richten, of het zelfbeschikkingsrecht, dat wil zeggen het recht van een volk om de eigen politieke status en sociale en economische ontwikkeling te bepalen.

Sommige  grondrechten hebben een gemengd karakter. Neem het kiesrecht: de overheid mag zich niet bemoeien met de keuze die je in het stemhokje maakt, maar moet wel de verkiezingen organiseren.

Daar komt nog eens bij dat de overheid grondrechten in het algemeen belang en ter bescherming van anderen binnen redelijke grenzen mag beperken zolang de kern van een grondrecht maar overeind blijft. De uitoefening van het grondrecht mag niet onmogelijk worden.

Al met al zijn we voor de uitoefening van onze grondrechten behoorlijk op de overheid aangewezen. Des te belangrijker dat het een democratische overheid is, die door onszelf wordt gekozen en gecontroleerd.

Daarmee zijn we aangekomen bij het derde element, de democratie, dus: regering van, door en voor het volk. Daaraan kan je op allerlei manieren vorm geven, als er maar sprake is van periodieke vrije en geheime verkiezingen op basis van one (wo)man, one vote, waar een parlement uit rolt dat de wetten maakt en het bestuur controleert. Democratie is de smaakmaker van de rechtsstaat en zorgt voor vreedzame machtswisselingen.

Rule of Law

Tot slot de heerschappij van de wet, oftewel de rule of law. De overheid mag alleen handelen op basis van een wettelijke grondslag. In de taal die ik als jurist heb geleerd te spreken heet dat het legaliteitsbeginsel. Er moet altijd een wet zijn die de overheid het recht geeft om te handelen. Zonder wettelijke grondslag geen bevoegdheid.

En ook de bevoegdheid om wetten te maken moet op haar beurt weer ergens zijn gegeven. Daarvoor hebben we de constitutie, die aan de top van alles staat en de soevereiniteit van het volk belichaamt.

In een democratische rechtsstaat worden de regels altijd door of in opdracht van de door onszelf democratisch gekozen wetgever gemaakt. In Curaçao stellen de Staten in samenspraak met de regering de landsverordeningen vast. We kunnen alleen worden gebonden aan regels die we zélf willen. Op basis van welk argument zou een ándere instantie dat immers mogen bepalen?

De rule of law betekent ook dat de moraliteit van een wet moet kloppen. Een wet moet aan de eisen van voorspelbaarheid, stabiliteit en zekerheid voldoen, voor herhaalde toepassing geschikt zijn en de gelijkheid van de burgers waarborgen. De wet geldt voor iedereen en moet door iedereen worden nageleefd. De rule of law creëert rechtszekerheid en voorkomt willekeur.

Werkelijkheid

Zo, dat was een hele mondvol grote woorden. En nu de werkelijkheid. De beginselen van de democratische rechtsstaat vormen als theorie een opvallend stabiel bouwwerk, maar zijn qua invulling en uitvoering steeds onderhevig aan de tijdsgeest, die blind maakt.

In de achteruitkijkspiegel kunnen we er dikwijls alleen maar ons hoofd om schudden. Toen de Amerikaanse founding fathers van onvervreemdbare rechten spraken, hadden ze het over ‘all men’, maar betrokken dat volstrekt niet op vrouwen, op mensen in slavernij en op arme mensen. Hoe universeel en onvervreemdbaar waren die rechten dus?

Vierhonderd jaar geleden bevrijdden de Noordelijke Nederlanden zich in een 80-jarige oorlog van Spanje en werden een republiek. Dat was ongelofelijk vooruitstrevend en leverde een geweldige bijdrage aan de emancipatie van de stedelijke burgerij, maar voor de meeste inwoners van die republiek en haar koloniën was de vrijheid ver te zoeken.

Meer dan twee eeuwen lang vormden slavenhandel en slavernij de ruggengraat van de Nederlandse koloniale economie. Collectief goedgekeurde misdaden tegen de menselijkheid, op systematische wijze voltrokken, en georganiseerd en gefaciliteerd door de overheid. Zelfs toen de slaven in 1863 eindelijk vrij kwamen, moesten ze bij wijze van schadeloosstelling nog tien jaar voor de slavenhouders blijven doorwerken.

En ook verder ging het tergend langzaam: pas in 1936 kreeg de kolonie Curaçao een eigen parlement, en in 1950 eindelijk zelfbestuur. Tot dat jaar bepaalden dus anderen de regels. Ook in Nederland zelf hebben we overigens pas sinds 1919 het algemeen kiesrecht. En tot ver in de jaren vijftig waren getrouwde vrouwen handelingsonbekwaam. Als ze trouwden verloren ze ook hun baan. Kan het nog gekker?

Pas sinds de woelige jaren zestig is werkelijk een brede democratisering en emancipatie van de samenlevingen binnen het Koninkrijk en hun burgers op gang gekomen. De Afro-Caribische bevolkingsgroep op Curaçao heeft pas na de opstand van Willemstad toegang tot de macht gekregen. Maar nog altij́d hebben niet alle mensen een gelijke kans op onderwijs, welvaart en welzijn. Dus ja, de geschiedenis van de democratische rechtstaat is minder glorierijk dan zij lijkt.

Maar er is gelukkig ook een upside. De beginselen van de democratische rechtsstaat hebben door de eeuwen heen steeds weer mensen en groepen gemotiveerd én de kans geboden om de barricaden te beklimmen en rechten op te eisen. Ze zijn een continue motor voor emancipatie en verheffing gebleken, op de meest onverwachte momenten.

Of het nu Curaçao, Nederland of ergens anders is, het gaat nooit vanzelf, voor verandering is veel geduld nodig, de weg ernaartoe kan heel frustrerend zijn, er moet hard voor geknokt worden, soms moet er eerst een crisis ontstaan, maar de democratische mechanismen en de grondrechten, waarop iedereen zich kan beroepen, zijn per saldo werkzame en vreedzame wapens voor verandering gebleken.

We zien snel het negatieve, wat er niét goed is. Maar de achteruitkijkspiegel leert ons dat er wel degelijk progressie is. Gelijke rechten, gelijke kansen, gelijke beloning, werkelijk kunnen en mogen zijn zoals je je van binnen voelt, we moeten het bevechten, soms via de onafhankelijke rechter, soms via het politieke en maatschappelijke debat. Het zal nooit klaar zijn.

Maar het framework van de democratische rechtsstaat schept de voorwaarden, maakt het mogelijk om de samenleving te veranderen zonder aanwending van geweld en zonder dat het nodig is om angst te hebben, en het werkt. Daarom geloof ik in de democratische rechtsstaat.

Curaçao

De upside is er ook voor Curaçao. Voor wie kijkt naar de gemiddelde kwaliteit van het bestuur en de bestuurders van het land is het niet moeilijk om cynisch te worden. Ja, de kwaliteit van het openbaar bestuur is kwetsbaar, zo niet zorgelijk. Ja, er is vriendjespolitiek. Ja, eigen belang wordt soms met het algemeen belang verwisseld. Ja, de werkelijke problemen worden te weinig aangepakt. Ja, er heerst op veel te grote schaal armoede.

Het onderwijs bereidt de scholieren onvoldoende voor op het werkelijke leven en voedt hen te weinig op tot mondige burgers. De politiek toont te weinig leiderschap en toekomstvisie. De raffinaderij wordt heropgestart terwijl dit voor het milieu en de wijken in de rook van de Isla nauwelijks te verantwoorden is, het klimaat in de hoogste alarmstand staat en we op de drempel van een wereldwijde energietransitie staan.

Het EVRM garandeert het recht op een gezonde leefomgeving. Het is onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Maar of dit recht bij de vergunningverlening werkelijk meeweegt en of de naleving anders dan vroeger nu wel zal worden afgedwongen, moet worden afgewacht.

Maar al deze tekortkomingen zijn niet per se het gevolg van een ondeugdelijk systeem. Het is in de eerste plaats een kwestie van moraal van degenen die in het systeem actief zijn. Dat los je met regels alleen niet op. Intussen bewandelt de samenleving haar eigen pad en ontwikkelt zich verder. Er kan hier ook heel veel. Dat is het mooie van Curaçao.

Kleinschaligheid

Wat Curaçao daarbij wel anders maakt, is de kleinschaligheid. Het goed functioneren van de democratische rechtsstaat in een kleinschalige samenleving is afhankelijk van relatief weinig actoren, die elkaar bovendien in de regel goed kennen.

Dit vereist een grotere rolvastheid en een hoger ethos van degenen die het systeem draaiende houden. Dat is niet iedereen gegeven. Vele mensen op verantwoordelijke posities beschikken gelukkig wel over die rolvastheid. Ze zijn van jongs af aan gewend met de kleinschaligheid te dealen maar laten zich daardoor niet corrumperen. Daar heb ik groot respect voor. En dat niet iederéén ertegen bestand is, ja dat is nu eenmaal de condition humaine.

Een misschien nog wel fundamenteler risico dat aan de kleinschaligheid kleeft is dat veel mensen het niet gemakkelijk vinden zich uit te spreken en bang zijn om openlijk uit te komen voor hun mening. Dat is jammer, want de democratische rechtsstaat leeft van mondige burgers. Nogmaals: hier ligt een belangrijke taak voor het onderwijs.

De kwetsbaarheid van de bestuurskracht op Curaçao blijkt uit het feit dat de rechter er nogal eens aan te pas moet komen om een bestuurlijke koerswijziging te forceren. Vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat zie ik dat echter niet als een bron van zorg maar juist als een teken van het functioneren van het systeem.

Er zijn altijd weer burgers die niet schromen om naar de rechter te stappen, en er zijn onafhankelijke rechters die niet aarzelen om de overheid op het spoor terug te zetten als dat werkelijk nodig is. Rechters alhier doen jaarlijks vele tientallen malen uitspraak over schendingen van grondrechten. Honderden overheidsbesluiten worden jaarlijks aan wettelijke voorschriften en ongeschreven rechtsbeginselen getoetst en ook regelmatig te licht bevonden. Het werkt dus.

Maar het zou voor mij nog wel iets strenger mogen. De rechter heeft op dit moment niet de bevoegdheid om na te gaan of een bepaalde overheidsbeslissing redelijk en billijk is, maar alleen of een beslissing niet zó onredelijk is dat zij niet had mogen worden genomen. Dat is een belangrijk nuanceverschil.

Die terughoudende opstelling van de rechter leidt nogal eens tot frustratie bij rechtszoekende burgers: waarom spreekt de rechter zich niet stelliger uit? In geschillen tussen particuliere partijen onderling is het volstrekt normaal dat de rechter kijkt wat redelijk en billijk zou zijn. Waarom zou die toets niet ook voor geschillen tussen overheid en burger mogen gelden? Mag de overheid zich dan minder behoorlijk gedragen dan een private partij? Het tegendeel zou het geval moeten zijn.

Nederland en Koninkrijk

Ik zeg het nog maar eens: bestuurlijk onvermogen is niet uniek voor Curaçao. Kijk hoe Nederland er voor staat. Neem de toeslagenaffaire en de miserabele afhandeling daarvan, neem het Groningse aardgas- en aardbevingendossier, neem het onvermogen – of is het onwil? – om de asielzoekers in Ter Apel op menswaardige wijze op te vangen en onderdak te bieden. Stuk voor stuk dossiers die een behoorlijk functionerende rechtsstaat onwaardig zijn.

De regering is niet in staat om de problemen op te lossen, het parlement heeft enorme moeite om daarin verandering te brengen, ambtenaren voelen zich hulpeloos. Artsen zonder Grenzen moest vanuit het buitenland invliegen om in Ter Apel te doen wat wij zelf hadden moeten doen. Veel Nederlanders schamen zich. Wat is dit? Voor het zoeken naar voorbeelden voor bestuurlijke incompetentie kan Den Haag intussen wel ophouden met de vinger naar de Caribische landen te wijzen. Als de regering van een land met ruim 17 miljoen inwoners de problemen kennelijk al niet aan kan, wat mag je dan van een Curaçaose regering verwachten?

Er is ook sprake van een bijkomend probleem. Want wat zich de afgelopen tijd in Nederland heeft voltrokken, raakt tevens het gezag van Nederland als hoeder van mensenrechten, deugdelijkheid van bestuur en rechtszekerheid binnen het Koninkrijk, dat wil zeggen de waarborgfunctie van artikel 43 lid 2 van het Statuut. Drongen sommigen van ons er twee jaar geleden niet op aan dat Nederland zijn koninkrijksverantwoordelijkheid moest pakken en verdergaand moest ingrijpen toen de regering van Curaçao onwillig was om de Venezolaanse vluchtelingenstroom in goede banen te leiden?

Inmiddels kan je je afvragen: moet nu Curaçao niet eerder Nederland ter verantwoording roepen voor diens falen in Ter Apel? Je kunt er een grapje van maken, maar het is ernstig. Het morele gezag van Nederland binnen het Koninkrijk erodeert. Tegelijk is dit voor de Caribische landen wel een uitgelezen kans om in de rijksministerraad op meer gelijke ooghoogte met Nederland te praten. In de sfeer van: niemand van ons is perfect, hoe komen we er samen uit? De verhoudingen in het Koninkrijk zouden dus door de Nederlandse ellende meer gelijkwaardig kunnen worden.

Geen reden tot somberheid

Terug naar de democratische rechtsstaat. U merkt dat ik eigenlijk best tevreden ben, in zoverre dat de mechanismen van de democratische rechtsstaat per saldo functioneren. Het probleem zit hem in de mensen en in de condition humaine, dat is in Curaçao niet anders dan in Nederland en andersom. Als degenen die het moeten doen niet sporen, biedt de democratische rechtsstaat twee essentiële instrumenten om daar iets aan te doen: de gang naar de rechter voor een juridische toetsing van het overheidshandelen- of nalaten, en de gang naar de stembus, waar de burgers de door hen gekozen niet-presterende politici de volgende keer kunnen afstraffen en anderen kunnen aanwijzen om hen te vertegenwoordigen en te regeren.

Dat zijn beide krachtige instrumenten. De Curaçaoënaars hebben zich in het verleden steeds weer meesters betoond in het benutten daarvan. De golfbewegingen in de Staten zijn de afgelopen decennia groot geweest. Ook Human Rights Defence blaast haar toontje mee. Met niet aflatende energie is deze NGO de afgelopen jaren de luis in de pels van het Curaçaose bestuur geweest als het ging om de behandeling van Venezolaanse vluchtelingen en heeft zij regelmatig ook de rechter ingeschakeld. En het heeft zeker effect gehad.

Maar het raamwerk van de democratische rechtsstaat kan natuurlijk altijd beter ingevuld. Daarom wil ik aan het einde van mijn betoog nog een paar suggesties doen, inhakend op de actualiteit. Geen grootse vergezichten en geen roep naar systeemverandering. Dat wordt toch niks en is alleen maar verloren moeite. In de jaren negentig al heeft de regering-Pourier het momentum voor vernieuwing actief verslapen.

In 2010 had Curaçao opnieuw de mogelijkheid om bij de verwerving van de autonomie zijn staatsinrichting grondig en daadwerkelijk te vernieuwen, maar de moed ontbrak ook toen en zo baarde de olifant als Staatsregeling toch weer de muis die wij al kenden. Ik houd het daarom bij een paar korte reflecties: over het gevaar van ondermijning, over het zelfbeschikkingsrecht, over de Staten en over de mensenrechtenverdragen.

Ondermijning

De Nederlandse minister van Justitie stelde een paar dagen geleden dus dat de democratische rechtsstaat onder druk staat. Kijken we om ons heen, dan zien we inderdaad dat het democratisch besef wereldwijd lijkt af te nemen, zelfs in landen die als de bakermat van de democratie mogen worden beschouwd. Dat maakt het wellicht nodig om ook op Curaçao wettelijke voorzieningen te gaan treffen om ondermijning van de democratie tegen te gaan.

Democratische systemen gaan over het algemeen uit van de goede wil van hun burgers. Langzamerhand is die minder vanzelfsprekend aan het worden. De democratische rechtsstaat is het waard om verdedigd te worden tegen kwaadwillende krachten. Een stresstest kan helpen de zwaktes te vinden en de plekken aan te wijzen waar wettelijke verdedigingswallen moeten worden gebouwd. Voorkomen is beter dan genezen.

Zelfbeschikkingsrecht

Curaçao verkeert als voormalige kolonie in de bijzondere situatie dat het zelfbeschikkingsrecht een prominente plaats inneemt in het raamwerk van de democratische rechtsstaat. Het gaat om een collectief grondrecht, dat in de beide universele VN-mensenrechtenverdragen wordt gegarandeerd en dat toekomt aan het volk van Curaçao. Dat wil zeggen dat de burgers van Curaçao degenen zijn die dat grondrecht gezamenlijk uitoefenen. Niet het land Curaçao, niet de regering van Curaçao en niet de Staten van Curaçao zijn drager van het zelfbeschikkingsrecht. Drager van het zelfbeschikkingsrecht is het volk zelf. Dat is een essentieel gegeven.

Net zo essentieel is dat de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht in volstrekte vrijheid moet plaatsvinden, niet beïnvloed door andere krachten. Dit betekent dat op basis van deugdelijke informatie moet kunnen worden gekozen uit verschillende opties met betrekking tot de gewenste toekomstige status. Die opties zijn: onafhankelijkheid, associatie met of integratie in een andere staat, of any other status. Elke smaak is goed, als het volk het maar uitdrukkelijk wil. In dat verband heeft de VN uitgesproken dat het referendum de voorkeur verdient als geschikt instrument om de wensen van het volk vast te stellen. Die voorkeur is terecht, gegeven de geldende randvoorwaarden.

Ik ga zelfs een stap verder en denk dat er gelet op die randvoorwaarden geen alternatief bestaat dat in redelijkheid het referendum kan vervangen. Alleen de uitslag van een referendum heeft het gezag dat nodig is om te overtuigen. Toen de burgers van Curaçao in 1993 per referendum opteerden voor voortzetting van de Nederlandse Antillen, leidde dit onmiddellijk tot het aftreden van de regering, die een andere lijn aanhing. Dit toont de kracht van een correct georganiseerd referendum, en overigens ook het fatsoen van de toenmalige minister-president.

Ik zeg dit alles omdat recentelijk door enkele burgers en politici op Sint Eustatius en Sint Maarten wordt betwijfeld of de Nederlands Antillen destijds wel door de VN als zelfbesturende gebieden zijn erkend. Zij menen dat de beëindiging van de rapportageplicht in 1954 geen erkenning inhield en dat de eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen daarom nog steeds niet zelfbesturend zijn.

Alle daden van zelfbeschikking die tussen 1954 en 2010 hebben plaatsgevonden zouden dus evenmin meetellen. Dat standpunt lijkt ook op Curaçao en Bonaire enige navolging te hebben gekregen. Samen met twee volkenrechtelijke experts acht ik die opvatting onjuist. We hebben daarover begin juli in het Antilliaans Dagblad geschreven.

Maar daar gaat het nu niet om. Onderliggend doel van de exercitie lijkt te zijn dat het zelfbeschikkingsrecht alsnog op niet al te lange termijn actief opnieuw zou moeten worden uitgeoefend. Wat daarvan ook zij, zou het zover komen, dan kan dat in mijn ogen net als in de jaren negentig en de jaren nul alleen via een referendum dat aan alle eisen voldoet en waarin het volk zich rechtstreeks tussen verschillende opties mag uitspreken.

Geen andere instantie dan het volk zelf gaat hier over. Het is dus niet aan de Staten of aan wie anders ook om over de toekomst van Curaçao te beslissen. Het zelfbeschikkingsrecht maakt onlosmakelijk deel uit van de democratische rechtsstaat Curaçao. Dit schept verplichtingen ten aanzien van de wijze waarop het moet worden uitgeoefend. Dat luistert nauw.

Staten

De Staten van Curaçao hebben op dit moment 21 leden. Die omvang heeft al een lange traditie. Afgezet tegen de bevolking van Curaçao is dat niet een onredelijk klein aantal. Nederland heeft één Kamerlid op 115.000 burgers, Curaçao één Statenlid op 7.200 burgers. Er zit dus een stuk meer representativiteit in de Curaçaose democratie. Dat is goed. De omvang van de Curaçaose samenleving leent zich daar ook voor.

Maar wat mij betreft zou die representativiteit toch nog wat verder mogen gaan. Ik denk dat de levendigheid en de kwaliteit van de discussie in het parlement gebaat is met een grotere omvang. Vergroting van de omvang kan ook helpen om meer tegenwicht tegen het kabinet te bieden, in kennis, deskundigheid en controle. Dat vergt enige massa. Mijn suggestie: vergroot het aantal zetels in de Staten substantieel, dat verbetert de kwaliteit en brengt het parlement nog dichter bij de burger. Een mogelijkheid die Curaçao vóór heeft op landen met een veel grotere bevolking.

U zult mij waarschijnlijk tegenwerpen: dat gaat veel te veel geld kosten. Inderdaad is dat een hinderpaal. Een uitbreiding mag uiteraard niet tot baantjesjagerij leiden, dat vind ik ook. Maar misschien is er binnen het huidige Statenbudget al veel ruimte te vinden waardoor dit mogelijk gemaakt kan worden. Als Statenleden bijvoorbeeld ook eens wat bescheidener worden met hun dienstreizen? Ik las onlangs in de krant dat het budget voor 2022 al op is. Met business class gaat het inderdaad snel. Denkt u dat er in het belang van een versterking van de positie van het parlement bij Statenleden bereidheid bestaat om ook salarisoffers te brengen of blijven er dan te weinig mensen over die de democratie willen dienen?

Mensenrechtenverdragen

Tot slot: een van de verworvenheden van de autonomie van de Caribische landen is dat zij zelf mogen beslissen over hun verdragsrelaties. Dat is hoogstens anders wanneer ‘de verbondenheid van het land binnen het Koninkrijk’ zich tegen niet-binding verzet, aldus het Statuut.

Daarmee wordt bedoeld dat de inhoud van een verdrag soms zo zwaar weegt voor het ethisch fundament van het Koninkrijk, dat het niet kan zijn dat een verdrag wel in één deel van het Koninkrijk geldt en in een ander deel niet. Daartoe behoren ontegenzeglijk de mensenrechtenverdragen, zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en de VN-mensenrechtenverdragen. Zulke verdragen zijn één en ondeelbaar.

Toch komt het altijd weer voor dat de Caribische landen om praktische en uitvoeringstechnische redenen geen medegelding van zulke essentiële verdragen op hun eigen grondgebied willen, en dat wordt ook geslikt. Bekende voorbeelden zijn het Vluchtelingenverdrag en het daarmee verbonden Protocol betreffende de status van vluchtelingen, en het VN-Gehandicaptenverdrag. Dat is onbegrijpelijk.

Het gaat om universele rechten en humanitaire verplichtingen, dan zou het vreemd zijn als de effectuering daarvan afhangt van waar binnen het Koninkrijk zich iemand bevindt. Zulke verdragen zijn essentiële onderdelen van de democratische rechtsstaat. Artikel 27 van het Statuut maakt het bovendien mogelijk dat het Koninkrijk, zeg Nederland, helpt bij het realiseren van de maatregelen die nodig zijn om de verdragsverplichtingen te implementeren. Daarvan is nog nooit gebruik gemaakt, terwijl daarin juist een unieke kans ligt om de fundamentele rechten in alle delen van het Koninkrijk gezamenlijk en op een gelijke wijze te verzekeren. Ook dat hoort bij een democratische rechtsstaat.

Gegeven de ‘puinhopen’ van Ter Apel vrees ik dat de prioriteiten van Nederland momenteel elders liggen en dat Nederland geen medegelding voor het Vluchtelingenverdrag gaat afdwingen. Maar dat ontslaat Curaçao niet van de verantwoordelijkheid om zelf het initiatief te nemen, en medegelding te vragen met een gelijktijdig beroep op de assistentieregeling.

Afsluitende opmerking

Churchill zei het al: democratie is de slechtste van alle regeringsvormen, maar de andere zijn nog slechter. We hebben geen alternatief. Het is aan ons burgers om er wat van te maken. De democratische rechtsstaat biedt ons alle kansen. Aan de slag of zoals het in het Papiaments heet: Dòmpereré!


Arjen van Rijn is advocaat en hoogleraar. Hij is advocaat-partner bij De Clercq advocaten notariaat en buitengewoon hoogleraar Staatsrecht en staatkundige vernieuwing aan de University of Curaçao. Hij adviseert, procedeert en beoefent de rechtswetenschap, in het bijzonder met deskundigheid op het gebied van het staatsrecht van Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), het staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden (het Statuut), de staatkundige en bestuurlijke verhoudingen tussen Nederland en de Caribische koninkrijkspartners.

Deel dit artikel