Nieuws Curaçao

Minister Cijntjes rol in de Aqualectra-saga: verdediging of verhulling

In de tumultueuze episode van Aqualectra’s bestuurscrisis, lijkt de recente verdediging van de Curaçaose minister van Economische Ontwikkeling, Ruisandro Cijntje, tegenover de aantijgingen en het collectief ontslag van de Raad van Commissarissen (RvC), een poging om zijn eigen verantwoordelijkheden als grootaandeelhouder te ontlopen.

Curacao.nu | Redactioneel commentaar

Pre-zomer 2024Pre-zomer 2024

Terwijl de RvC de onregelmatigheden aan het licht bracht, inclusief de vermeende misstappen van oud-CEO Darick Jonis, die onder andere betrekking hadden op het overschrijden van zijn procuratiebevoegdheden en het mogelijk aangaan van ‘onzakelijke afspraken’, zoals benadrukt in het forensisch rapport van Forensic Caribbean, beschuldigt Cijntje nu de RvC van wanbeleid.

Bij Aqualectra heeft oud-CEO Darick Jonis zijn procuratiebevoegdheid overschreden, wat door de Raad van Commissarissen (RvC) aan het licht werd gebracht, waarop Jonis gevraagd werd om af te treden en de eer aan zichzelf te houden.

De RvC, verantwoordelijk voor toezicht, voelde zich daarin onvoldoende gesteund door grootaandeelhouder Minister Ruisandro Cijntje en stapte collectief op. Cijntje reageerde defensief, schoof de schuld op de RvC en minimaliseerde zijn eigen nalatigheid. Dit alles in een klimaat van technische mankementen en black-outs die Aqualectra en Curaçao teisterden, resulterend in een bestuurlijke en operationele crisis.

Samenspel

Minister Ruisandro Cijntje schijnt moeite te hebben om zijn rol als grootaandeelhouder te begrijpen, laat staan naar behoren uit te voeren. Het samenspel tussen de Raad van Commissarissen (RvC) en de Algemene vergadering van Aandeelhouders (AvA) is een delicaat balansspel, waarin de RvC de bedrijfsvoering kritisch dient te volgen en de AvA, met Cijntje als vertegenwoordiger, het beleid richting geeft en bekrachtigt.

Het rapport onthult dat Jonis verantwoordelijk zou zijn voor ‘de meest excessieve procuratie-overschrijdingen’ en dat zelfs de contractwederpartij, Nu Capital, bezwaar maakte tegen zijn aanpak. Verder wijst het op ‘kritieke tekortkomingen opgetreden in de inclusie- en goedkeuringsprocedure’ en signaleert het een zorgelijke verwaarlozing van corporate governance.

Cijntje daarentegen, claimt dat hij herhaaldelijk contact zocht met de RvC en dringt aan op een forensisch onderzoek naar de black-outs van vorig jaar. Maar zijn recente verklaringen komen pas nadat het rapport lekte en de RvC-leden opstapten. Hij noemt de acties van de RvC-leden “onverantwoord” en “laf”, en beweert dat de ontslagbrief van de RvC een verkeerde voorstelling van feiten geeft.

Het is in dat licht bijzonder te noemen dat Cijntje niet eerder aandacht had voor de jaarrekeningen van Aqualectra, die al sinds 2019 niet door de aandeelhoudersvergadering waren vastgesteld. Herhaaldelijk heeft de RvC verzocht om deze belangrijke documenten te bespreken, maar zonder reactie vande minister.

Cijntje’s opmerking dat hij “geen vertrouwen” had in de RvC omdat ze niet onmiddellijk zijn instructies opvolgden, getuigt van een verontrustend gebrek aan begrip van corporate governance. Zijn rol als aandeelhouder is niet om directe bevelen uit te vaardigen aan de RvC, maar om beleidsmatige richting te geven. Zijn uitspraak “Dit zijn niet mijn RvC-leden” toont aan dat hij de onafhankelijkheid en de toezichthoudende rol van de RvC niet respecteert of begrijpt.

De beschuldiging van de minister dat de RvC “geen weet heeft van kordaat en adequaat optreden”, voelt ongegrond gezien het feit dat juist de RvC – naar nu blijkt – actie ondernam tegen de praktijken van Jonis.

Reactieve houding

De verdediging van de minister en grootaandeelhouder lijkt in strijd met de feiten. Waarom greep Cijntje niet eerder in bij de signalen van de RvC over de misstanden bij Aqualectra? Het lijkt erop dat de minister pas in actie kwam toen zijn positie als aandeelhouder in het geding kwam na het lekken van het rapport en het ontslag van de RvC. En dat duidt op een reactieve houding in plaats van proactief handelen. Zijn beschuldiging dat de RvC-leden van kwade wil zouden zijn, lijkt aldus af te leiden van de kernvraag: waarom greep de aandeelhouder niet in?

Zijn latere verdediging en de poging om de schuld van zich af te schuiven, werpen een schaduw over zijn leiderschap en verantwoordelijkheid. Een strafrechtelijk en/of civielrechtelijk onderzoek zou niet alleen licht kunnen schijnen op de acties van Jonis en de RvC, maar ook op de nalatigheid van Cijntje in zijn rol als aandeelhouder.

Darick Jonis’ eigen besluit om af te treden na de black-outs en de druk die de RvC uitoefende op zijn vertrek – wat destijds niet naar buiten werd gebracht – toont aan dat er wel degelijk een vorm van toezicht en verantwoording was. Jonis’ vertrek, gekoppeld aan het feit dat hij “het genoeg is geweest” aangeeft, suggereert dat hij de verantwoordelijkheid – onder druk of niet – nam voor de problemen binnen Aqualectra, iets wat Cijntje als aandeelhouder naliet.

Het is tijd dat de verantwoordelijken binnen Aqualectra, inclusief minister Cijntje, hun daden verantwoorden voor een transparant en rechtvaardig verloop van deze zaak.

Deel dit artikel