Nieuws Curaçao

Toezichthouder geeft brandstofmonopolist Curaçao vrij spel

De Curaçaose overheid heeft de afgelopen maand tot tweemaal toe nieuwe heffingen geïntroduceerd via de brandstofprijs. De Curaçaose variant op het kwartje van Kok. Het heeft daarvoor toezichthouder Bureau Telecommunicatie & Post (BTP) voorgehouden, dat de prijsverordening uit 1961 gebruikt kan worden als wettelijke grondslag. Maar die is bedoeld om prijsgrenzen aan te geven in de vrije markt.

Redactioneel commentaar | Dick Drayer

De enorme stijging van de brandstofprijzen per 4 augustus wordt veroorzaakt door een nieuwe vorm van de tariefcomponent ‘waarborging brandstofvoorziening’. Een maatregel die vier jaar lang voor elke liter brandstof 9 tot 10 cent uit de zak van de burger klopt. De introductie daarvan op 3 maart van dit jaar, die leidde tot de eerste prijsverhoging, deed de vraag rijzen of de maatregel wel rechtmatig was. 

Immers elke extra heffing of belasting moet op basis van de Staatsregeling plaatsvinden via een formele wet, dus een landsverordening. De prijsverordening, waar nu mee wordt geschermd gaat over maximale verkoopprijzen om de burger te beschermen en niet over instellen van nieuwe heffingen dan wel belastingen, waarmee je de burger juist belast.

Het is verontrustend dat toezichthouder BTP dit niet inziet en zich kennelijk voor het wagentje van overheid en monopolist spant.

De tariefrichtlijn

De tarieven voor de gereguleerde brandstofproducten zijn conform een BTP-tariefrichtlijn opgebouwd uit verschillende componenten. De basis is altijd de aankoopprijs, dan volgt de importbelasting, de marge voor Curoil en de accijnzen. Daarna volgen de omzetbelasting en een overschot/tekort component, een kruissubsidie en een dealer marge. al deze componenten leiden tot de vaststelling van het eindgebruikerstarief.

Van deze tariefrichtlijn wordt nu afgeweken op basis van een ministeriële beschikking en niet op basis van een nieuwe landsverordening. Die beschikking verwijst – net als elke beschikking in dit kader – naar artikel 2 van de prijsverordening:

Indien goederen of diensten worden aangeboden tegen zodanige prijzen, dat het vragen daarvan naar oordeel van het Bestuurscollege in strijd is met of dreigt te geschieden in strijd met het algemeen belang, kan het voor het betreffende eilandgebied verbieden het aanbieden, verkopen en verhuren van die goederen dan wel het aanbieden en verrichten van die diensten tegen hogere of lagere dan door het Bestuurscollege aan te geven prijzen.”

Om de ministeriële beschikkingen te enten op de prijsverordening is eigenlijk – zoals hierboven aangetoond – een gotspe. Juristen noemen dat: detournement de pouvoir, oftewel misbruik maken van een wettelijke bevoegdheid. De prijsverordening is in 1961 in het leven geroepen om in een vrije markt, monopolisten niet de vrije hand te geven om prijzen naar eigen goeddunken vast te stellen.

Wat nu gebeurt, is juist dat en ontdoet de prijsverordening van zijn considerans, waarin het uitgangspunt is om ongewenste verschijnselen van conjuncturele of structurele aard te nivelleren door maximumprijzen voor goederen en diensten vast te stellen.

Cost of doing business

De argumentatie van BTP tijdens een persconferentie na de tweede invoering van de heffing, was dat beide heffingen niet gezien moeten worden als belasting, maar een heffing om de cost of doing business te dekken.

BTP, de toezichthouder beredeneert dat de cost of doing business voor Curoil hoger is geworden na het vertrek van PdVSA, maar vergeet dat de monopolist dat in eerste instantie zelf goed dient te maken binnen de maximumprijzen die de overheid maandelijks vaststelt.

Monopolist

Zeker van een monopolist mag dit geëist worden en als het dat niet kan, is er misschien iets voor te zeggen om dat monopolie af te schaffen. Immers, de monopolist wordt niet getriggerd door de markt om goed te presteren en kan wel meer argumenten naar voren brengen waarom zijn cost of doing business hoger is geworden. Juist hier mag van BTP verwacht worden dat het als toezichthouder stevig in zijn schoenen staat.

De ministeriële beschikking geeft bovendien geen enkele inzicht in de opbouw en berekening van het maximum bedrag. Tamelijk slordig als dit de basis is van de invoering van een nieuwe component. Want niemand weet hoe de monopolist tot het bedrag van die component is gekomen.

Toetsing parlement

Daar komt bij dat het toevoegen van – wellicht willekeurige – componenten aan de brandstofprijs door BTP met voorbehoud zou moeten worden bekeken. Dat voorbehoud zou dan moeten worden getoetst door het parlement. Een nieuwe landsverordening ligt dan in lijn der rede.

Gezien de Staatsregeling is dat ook waarop heffingen van overheidswege, of dat nou formele belastingen zijn of niet, hun wettelijke basis ontlenen. BTP kan niet zomaar componenten toe moeten kunnen voegen aan haar eigen tariefrichtlijn, zeker niet per ministerieel beschikking, waarbij het parlement buitenspel wordt gezet.

Advies

De partij die er vragen over wil stellen in het parlement – althans als het quorum krijgt -, de MFK, is gemakshalve vergeten dat zij zelf ook al eens geprobeerd heeft een oneigenlijke heffing via brandstof te innen voor wijkontwikkeling. in 2012 was dat. Toen ging het weliswaar niet om de cost of doing business, maar om een ordinaire en oneigenlijke belastingheffing via de benzinepomp.

Uit een door het kantoor VanEps, Kunneman & Van Doorne op verzoek van de directie van Curoil opgesteld advies in 2012 blijkt dat de wettelijke basis voor de invoering van de heffing ontbrak. Dat is te lezen in een rapport van overheidsaccountant SOAB. Het kantoor VanEps concludeerde toen al dat de prijzenverordening de mogelijkheid voor extra toeslagen niet biedt.

Bovendien heeft de enige aandeelhouder van Curoil naar de mening van dit kantoor de openbare rechtspersoon Curaçao, de bevoegdheid niet toe een aanwijzing daarvoor te geven, daar het hier geen ‘algemene’ aanwijzing betreft, zoals vastgelegd in de statuten van Curoil. In een brief van 1 augustus 2012 bevestigt de voormalige minister van Algemene zaken dat een wettelijke grondslag voor deze heffing ontbreekt, aldus het rapport.

Pomphouders

Het wachten is daarom op de pomphouders verenigd in COPDA en ASOGAS om de rechter te vragen een dikke strip te zetten door de plannen van Curoil, overheid en BTP om de burger te belasten met een oneigenlijke heffing, die niet getoetst is door het parlement.

—-

Geraadpleegde bronnen:


Deel dit artikel